Inleiding op deze serie
Deze serie is ontstaan vanuit de vraag waarom gebed soms voelt alsof de hemel van koper is. Jezus leert ons bidden met het Onze Vader. Niet als een formule, maar als een weg naar relatie met de Vader. In deze serie bekijken we stap voor stap wat dit gebed ons leert over aanbidding, vertrouwen, vergeving, afhankelijkheid en leven met God.
Het 'Onze Vader' nader bekeken - deel 1
“Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt” (Matth. 6:9). Zo begint Jezus wanneer Hem door een van Zijn discipelen gevraagd wordt hen te leren bidden. Geen hoogdravende taal maar gewoon eenvoudig en simpel: “Onze Vader”, daar mogen we mee beginnen. Zo wil God kennelijk dat wij met Hem omgaan: als met een vader. Zo dicht bij wil Hij blijkbaar bij ons zijn en dat terwijl Hij toch God is, die in de hemelen is. Er is dus wel degelijk een afstand. Deze afstand tot God wordt geïllustreerd als we lezen in Exodus 19:11 “En tegen de derde dag zullen zij gereed zijn, want op de derde dag zal de Here nederdalen voor de ogen van het gehele volk op de berg Sinai.” God moet naar ons nederdalen, willen wij met Hem in contact kunnen treden. En in Johannes 14:6 lezen we: “Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij”. De afstand is zo groot dat we Christus nodig hebben om deze afstand van onze kant uit te kunnen overbruggen. In Christus is God nedergedaald. En Jezus, DE Zoon van God zegt dat wij ons gebed mogen beginnen met: “Onze Vader”.
Eigenlijk zegt niet Jezus maar God zelf dit tegen ons zoals blijkt uit Joh. 8:26b. Daar zegt Jezus: “maar die Mij gezonden heeft, is waar, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld.” Wat Jezus gehoord heeft van de Vader spreekt Hij tot ons. Jezus geeft door wat God zegt.
Uiteindelijk is het dus God zelf die zegt: Ik, jouw God in de hemel (Ver weg en onbereikbaar), wil jouw Vader (Dichtbij en persoonlijk) zijn. Persoonlijk begin ik mijn gebed heel vaak met: “Vader in de hemel, Grote God…”. En het voelt heerlijk intiem om te beginnen met “Vader in de hemel”. En meteen daarna: “Grote God…”. De erkenning dat Hij God is. Dat Hij de Macht heeft. Dat niet alles van mij maar van Hem afhangt. Dat ik Hem daarom ALLES kan vertellen, wat ik op mijn hart heb.
Soms, als je elkaar in een relatie alles kunt vertellen, hoef je niet eens een antwoord te hebben maar is het al heerlijk als je je hart kunt luchten. Zo werkt het voor mij ook naar God toe. Vaak verwacht ik echter ook een antwoord maar lijkt het niet direkt te komen. Niet zelden blijkt veel later dat God toch iets heeft gedaan met mijn gebed. Het gebeurt daarbij ook, dat ik een ander antwoord krijg dan dat ik had verwacht.
Wij mogen zo een persoonlijke relatie met God hebben. Vandaar dat het: “Ik, jouw God….” daarnet ook in enkelvoud was. Toch is het zo dat daar waar twee of meer in Naam van Christus samen zijn, Christus zelf belooft in hun midden te zijn (Matth. 18:20). Christus zelf roept zo ook op voor gezamenlijk gebed.
God zoekt een persoonlijke relatie met ons, maar Hij is onze Vader als vader van een gezin. Broers en zussen zijn niet zomaar familie van elkaar. Daar is per persoon een persoonlijke bloedband met hetzelfde ouderpaar voor nodig. Zo is in Gods gezin een persoonlijke “bloed”-band met Christus nodig om deel te zijn van Zijn gezin. Een persoonlijke band als voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de familieband.
© 2001 A. van Andel. Alle rechten voorbehouden.